Er gebeurt veel in een paar jaar tijd, mijn vriend. Heel veel. Genoeg om jezelf te leren kennen – en anderen. Genoeg om te weten met wie je verder kan, zou willen – en met wie niet.
Niemand wordt hier beter van. Niemand. Alleen het huis. En dat is binnenkort niet meer van mij, zal nooit echt van jou worden – en zij kan het niet betalen. Vaarwel, mijn vriend.
Mijn thuis ligt al jaren niet meer in dit huis. Mijn thuis ligt in wie ik ben, in wie ik was. In herinneringen. En hoop.
Mijn thuis is de trein. De trein naar Berlijn. En laat ik daar binnenkort nou net weer naartoe gaan…
Ik reisde twee maal af naar mijn geliefde stad, bungelde honderd meter boven de grootste havenstad van Europa en was wederom heer en meester in de grootste huiskamer van Nederland. En toch – ook met al de overige dingen die het afgelopen jaar mij bracht – staat 2011 in de schaduw van zijn grotere en één jaar oudere broer. Een terugblik op de jongste telg uit de familie van deze 21e eeuw.
Je hebt geleerd. Vanaf het moment waarop je naar beneden liep, de roep van het water beantwoorde. Toen je nog één keer omhoog keek, je jezelf afvroeg waar je was en wie je zojuist was geworden.
Je hebt geleerd. Vanaf het moment waarop je begon te vluchten, te vluchten voor alles wat je juist zo hard nodig hebt. Vluchtend voor blindheid, doofheid. Gewetenloosheid. Voor jezelf, voor anderen. Voor de wereld waarin je geleefd wordt, geleefd zal worden.
Je hebt geleerd. Vanaf het moment waarop je uit het raam keek, de tijd aan je voorbij zag gaan en besefte dat deze voor jou is. Voor jou, en voor jou alleen. En alleen maar meer en meer, en meer en meer voor jou.
Je hebt geleerd, en je leert nog steeds. Omdat je blijft afvragen, blijft vluchten, blijft beseffen. Er is geen weg zonder keuze. Geen weg zonder loslaten. Geen weg zonder verraad. Het had niet zo moeten zijn, en het zal ook niet zo blijven; het zal altijd anders zijn.
Je hebt geleerd, je leert nog steeds en je zal blijven moeten leren. Blijven moeten leren leven. Omdat er mensen zijn die in je geloven. Omdat er mensen zijn die op je zullen wachten. Daar, op jou. Om je in de ogen te kunnen kijken, te zien dat je geleerd hebt. Dat de strijd nu dan eindelijk is gestreden. Voor jou, voor hen. Voor ons.
So, please. Don’t leave. ‘Cause I’m still learning…
Een druppel meer of minder maakt weinig uit, wanneer de hemel openbreekt en de aarde omhuld wordt met het grauwe grijs. Je wist het, dus je liet het. Je liet vallen, en niemand zag. Niemand wist. Niemand voorzag.
Het was de reis der reizen, van de ene naar de andere kant. Van onbekend naar onbekend. ‘Voetbal’, ‘stadion’. Het waren de twee woorden die je op deden kijken. Die het kleine vuur van binnen, dat gedoofd en geblust leek te zijn, wederom op deden laaien. Op die ene, die ene dag.
Eén veld, twee doelen, een aantal lijnen – en 74.000 stoelen. Er zijn dingen die je niet begrijpt, maar voor even was je weer de oude. Voor even genoot je van wat het leven je te bieden had. En je luisterde, met al wat je in je had. Naar de wind, naar de regen, naar de voetstappen op het veld. Naar de stad die jou meer en meer naar zich toetrok.
En het was in mei toen je terugdacht aan dat ene moment. Toen de stad juichte, en de oude dame weer terug werd gebracht op de hoogste zetel van het land. Het deed je goed, genietend van wat het leven je te bieden had.
En toen: Schluss. Het hing al weken in de lucht, en waar rook is, is vuur: de oude dame werd weduwe.
Het laatste fluitsignaal klinkt, de laatste negentig minuten zijn gespeeld. En je zag het gebeuren, je wist eigenlijk al genoeg. De man stond op, en liep het veld op. Naar zijn spelers, naar zijn vrienden. Om te bedanken, te begroeten. Om te omhelzen, alsof dit zijn laatste keer was. Hij wist het, en hij wist het al langer. Dit waren zijn laatste minuten in Berlijn.
Niet dat dit er wat toe doet. Niet dat hij dit ooit leest, laat staan begrijpt. En het moet gezegd worden: een Bayer hoort niet in Pruisen. Maar Markus… je was, en bent, en blijft geliefd.
Met vriendelijke groet,
een van de vele Hertha-fans die een waardevolle trainer ziet vertrekken. Het gaat je goed.
‘(…) en een kleine cola, alstublieft.’ Een grote cola en wat eten rijker, zoek ik een plekje op in het kleinste restaurant van ‘s werelds grootste fastfoodketen. Slechts een enkele wiebelkruk is nog een optie. Zo’n rasechte pornokruk; wiebelend, zwieberend. Smachtend, wachtend. Op de volgende die komt. En gaat.
Ik laat het zoveelste bordeel in deze stad achter me, en loop door de straten van nooitgemogendheid. In de onzichtbare kou bijt ik al klappertandend het rietje kapot dat mij en mijn veel te grote cola met elkaar verbindt. Met twee halve rietjes en een deksel in mijn hand, sla ik de cola met grote slokken achterover en verslik me daarbij in de allerlaatste slok, wensend dat er nog één druppel meer in had gezeten. Een milliliter meer of minder maakt soms een wereld van verschil.